1. Maatregelen voor alle ondernemers
1.1. Afschaffing spaarloonregeling
De spaarloonregeling wordt per 2012 afgeschaft. De opgebouwde rechten worden geëerbiedigd. Werknemers kunnen hun opgebouwde spaarloon in 2013 zonder fiscale gevolgen direct opnemen. Zij kunnen er ook voor kiezen om het tegoed te laten staan; als zij de voorwaarden van de spaarloonregeling blijven naleven, kunnen zij de vrijstelling voor spaarloon in box 3 blijven benutten. De huidige deblokkeringsmogelijkheden blijven bestaan. In 2016 is de spaarloonregeling uitgewerkt. Het afschaffen van de spaarloonregeling betekent dat werkgevers daarover geen 25% eindheffing meer hoeven te betalen. Tegenover dat voordeel staat het nadeel dat de grondslag voor de premies werknemersverzekeringen omhoog gaat en werkgevers over dat hogere bedrag premies verschuldigd worden.
1.2. Afschaffing levensloopregeling
De levensloopregeling wordt per 1 januari 2012 afgeschaft. Het kabinet vindt dat deze regeling slechts in geringe mate bijdraagt aan het verminderen van de druk in het spitsuur van het leven van werknemers. De levensloopregeling wordt vooral gebruikt om een tegoed op te bouwen om vervroegd te kunnen uittreden, en dat past niet binnen het beleid van dit kabinet om doorwerken te stimuleren. Het voorgestelde overgangsrecht voor opgebouwde rechten is als volgt:
•· Werknemers die op 31 december 2011 een positief saldo op hun levensloopregeling hebben staan, kunnen dat tegoed in 2012 nog aanhouden.
•· Vanaf 2013 kan de levensloopregeling uitsluitend nog benut worden door werknemers die vóór 1 januari 2013 de leeftijd van 58 jaar hebben bereikt. Deze deelnemers kunnen blijven inleggen en opnemen volgens de huidige wettelijke regeling. Omdat het levenslooptegoed moet vrijvallen op - ten laatste - de dag vóór het bereiken van de 65-jarige leeftijd, loopt deze overgangsregeling automatisch af in 2019. De deelnemers uit dit cohort kunnen desgewenst hun levenslooptegoed in 2013 geruisloos omzetten in de regeling voor vitaliteitssparen. Zie onder 4.1. Bij die keuze vervalt de mogelijkheid om in latere jaren nog aan de levensloopregeling deel te nemen.
•· Deelnemers aan een levensloopregeling die voor 2013 nog niet de leeftijd van 58 hebben bereikt, kunnen er voor kiezen om hun levenslooptegoed in één keer te laten uitbetalen. Die uitkering is belast, de opgebouwde rechten op de levensloopverlofkorting worden in één keer verrekend. Zij kunnen er ook voor kiezen om het levenslooptegoed door te storten naar de vitaliteitsregeling, ook als de waarde van dat tegoed hoger is dan € 20.000, het plafond van de vitaliteitsregeling.
1.3. De nieuwe werkbonus
Voor werknemers van 57 jaar en ouder vervalt de arbeidskorting. Ook de doorwerkbonus komt te vervallen. Per 1 januari 2013 komt daarvoor in de plaats een nieuwe werkbonus van maximaal € 3.000 voor werkende 62-plussers.
1.4. Bijtelling privé-gebruik auto
Het kabinet wil de huidige regeling voor de bijtelling privé gebruik auto handhaven, maar in de komende jaren wel de CO2- grenzen - voor de verlaagde bijtelling - neerwaarts gaan bijstellen. Ook gaan de CO2-grenzen voor benzine en diesel in de komende jaren naar elkaar toegroeien tot gelijke waarden in 2015. De verlaagde percentages voor de bijtelling privé gebruik auto (van 0%, 14% en 20%) blijven van toepassing voor automobilisten met een auto's waarvan het kenteken vóór 1 juli 2012 voor de eerste keer op hun naam is gesteld, of met een auto die hun al voor 1 juli 2012 en ook daarna ter beschikking is gesteld. Die gewenningsperiode duurt maximaal 5 jaar, 60 maanden (de gebruikelijke leaseperiode), rekenend vanaf het moment dat de auto voor het eerst op kenteken is gesteld. Aan het eind van een periode wordt bekeken of de auto tegen de dan geldende CO2-grenzen opnieuw voor een verlaagd bijtellingspercentage in aanmerking komt. Wordt de auto op of na 1 juli 2012 op naam van een nieuwe eigenaar gesteld, dan wordt ervan uitgegaan dat de auto (vanaf de dag dat het kenteken voor het eerst op naam is gesteld) onder de aangescherpte regeling valt. Een eigendomsoverdracht van een auto van de zaak door de werkgever aan de werknemer/automobilist, heeft geen gevolgen voor de verlaging van de bijtelling zolang de auto maar aan dezelfde automobilist ter beschikking staat. Voor personenauto's met een CO2-uitstoot van niet meer dan 50 gr/km die vóór 2015 worden aangeschaft, geldt gedurende een periode van 60 maanden een bijtelling van nihil. Voor auto's waarvan het kenteken vóór 1 januari 2012 voor het eerst op naam is gesteld en die een C02-uitstoot hebben van 0 gr/km is tot 1 januari 2017 een bijtelling van 0% van toepassing.
1.5. Bijtelling privé-gebruik bestelauto's
Per 1 januari 2012 wordt de verklaring uitsluitend zakelijk gebruik voor bestelauto's ingevoerd. Met deze (gezamenlijke) verklaring kan worden aangegeven dat met de bestelauto niet privé wordt gereden. De Belastingdienst zal hiervoor een digitaal formulier ter beschikking stellen. De ondernemer hoeft geen rittenregistratie op te (laten) maken als hij van de inspecteur een ontvangstbevestiging van de verklaring heeft ontvangen.
1.6. EIA/MIA/VAMIL; digitaal melden verplicht
Met ingang van 2012 moeten meldingen voor de energie-investeringsaftrek, de milieu-investeringsaftrek en de willekeurige afschrijving op milieu-investeringen digitaal plaatsvinden. De aanvraag van deze regelingen wordt ondergebracht bij het E-loket van AgentschapNL.
1.7. Loonafdrachtvermindering speur- en ontwikkelingswerk
De loongrens in de eerste schijf voor de S&O-afdrachtvermindering wordt per 1 januari 2012 verlaagd van € 150.000 naar € 110.000; het plafond van deze regeling blijft gehandhaafd op € 14 miljoen. De afdrachtvermindering in de eerste schijf (tot € 110.000 loonkosten) wordt teruggebracht van 45% naar 42%.
1.8. Aanpassing 30%-regeling
Het kabinet vindt dat de 30% regeling in de praktijk veel ruimer wordt toegepast dan de bedoeling daarvan was bij de invoering van de regeling. Dat komt met name door de voortgaande uitholling van de eis dat de werknemer over ‘specifieke deskundigheid' moet beschikken. Voorgesteld wordt om de 30% regeling aan te passen:
•· De bij de werknemer vereiste specifieke deskundigheid wordt ingevuld door een salarisnorm. Voor 2011 is dat € 50.619; dit bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd. Als de (in het buitenland geworven) werknemer een salaris heeft van dit bedrag of meer wordt hij geacht te beschikken over specifieke deskundigheid.
•· De 30% regeling kan maximaal 10 jaar worden benut. Deze periode wordt gekort met eerdere periode van verblijf of tewerkstelling in Nederland. Deze kortingsregeling wordt aangescherpt door verlenging van de toetsingsperiode van 10 naar 25 jaar: een eerdere periode van verblijf of tewerkstelling in Nederland in die 25 jaar, of die in die periode is geëindigd, komt in mindering op de looptijd van 10 jaar.
•· Werknemers die in het buitenland in de grensstreek met Nederland wonen, kunnen slechts voor de 30% regeling in aanmerking komen als zij op een afstand van ten minste 150 kilometer van de Nederlandse grenzen wonen.
•· Voor jonge buitenlanders die in Nederland promoveren en die voorafgaand aan die periode van promoveren in het buitenland verbleven, wordt de 30% regeling versoepeld: de toets of die werknemer ‘uit het buitenland is aangeworven' komt te vervallen.
Werknemers die ultimo 2011 onder de 30% regeling vallen, worden geëerbiedigd: de nieuwe regels gelden niet voor hen. Daarop geld één uitzondering: de inspecteur kan na vijf jaar opnieuw toetsen of de werknemer nog voldoet voor toepassing van de 30% regeling. Als die toets na 1 januari 2012 plaatsvindt, moet de inspecteur de salarisnorm daarbij in acht nemen.
1.9. Minder rijksbelastingen
In het Belastingplan wordt voorgesteld om zeven (van de 22) rijksbelastingen af te schaffen. Het gaat om rijksbelastingen met een relatief bescheiden opbrengst, te weten:
•· de verpakkingenbelasting;
geraamde opbrengst 2011 € 282 mln., circa 400 belastingplichtigen.
•· de verbruiksbelasting frisdranken;
geraamde opbrengst 2011 € 164 mln., circa 200 belastingplichtigen.
•· belasting op leidingwater;
geraamde opbrengst 2011 € 123 mln., circa 60 belastingplichtigen.
•· het Eurovignet;
geraamde opbrengst 2011 € 118 mln.
•· pruim- en snuiftabak;
geraamde opbrengst 2011 € 250.000.
•· belasting op grondwater;
geraamde opbrengst 2011 € 176 mln., circa 4.000 belastingplichtigen.
•· belasting op afvalstoffen;
geraamde opbrengst 2011 € 59 mln., circa 30 belastingplichtigen.
Deze belastingen worden afgeschaft per 1 januari 2013, met uitzondering van de afvalstoffen- en grondwaterbelasting: die vervallen eerder, per 1 januari 2012.
2. Maatregelen voor IB-ondernemers
2.1. Zelfstandigenaftrek voor ondernemers
De zelfstandigenaftrek wordt per 1 januari 2012 omgezet in een vaste aftrekpost, een basisaftrek van € 7.280. Deze vaste aftrek vervangt de huidige zelfstandigenaftrek met acht schijven, waarbij de aftrek hoger wordt naarmate de winst uit onderneming lager is. Het kabinet wil deze ‘straf op groei' wegnemen. De vaste basisaftrek betekent een lagere aftrek voor ondernemers met een winst uit onderneming tot afgerond € 18.500, ondernemers met een winst boven de € 53.500 gaat er met de vaste aftrek op vooruit, hun aftrek wordt hoger.
De aanpassing van de zelfstandigenaftrek is de eerste stap van het kabinet om de bestaande ondernemersfaciliteiten te gaan vervangen door één geïntegreerde ondernemersfaciliteit, die gericht zal zijn op het bevorderen van winstgevend ondernemerschap. Dat kan uitmonden in een aparte box in de inkomstenbelasting voor ondernemers, een winstbox waarbij de ondernemersfaciliteiten opgaan in een lager, proportioneel tarief voor de winstbelasting. Invoering van een winstbox betekent een ingrijpende wijziging van het stelsel van de inkomstenbelasting, het kabinet gaat de mogelijkheden van een aparte winstbox verkennen.
2.2. Plafond oudedagsreserve omlaag
Ondernemers kunnen 12% van de winst doteren aan de oudedagsreserve. Die toevoeging kan in een jaar niet meer zijn dan € 11.882 (pafond 2011). Dat plafond wordt per 1 januari 2012 verlaagd tot € 9.382. Dit plafond wordt verlaagd om de kosten te dekken van de uitbreiding van de vrijwillige voortzetting van de pensioenregeling door ex-werknemers (zie hieronder bij XXX) Er is gekozen voor een inperking van de oudedagsreserve omdat de uitbreiding van de vrijwillige voortzetting van de pensioenregeling vooral door ondernemers - zzp-ers - zal worden benut.
2.3. Uitbreiding vrijwillige voortzetting pensioenregeling
Ex-werknemers die na ontslag hun pensioenregeling vrijwillig willen voortzetten, kunnen dat volgens de huidige wettelijke regeling 3 jaar doen. Die termijn wordt verruimd naar 10 jaar na ontslag. Als pensioengrondslag geldt een (nog in te vullen) actueel inkomensniveau, met als bovengrens het laatstverdiende pensioengevende loon vóór de uitdiensttreding.
3. Maatregelen voor ondernemers met een BV
3.1. Renteaftrekbeperking voor overnameholdings
Het kabinet stelt voor om de renteaftrek bij overnameholdings te beperken. Het gaat hierbij om de opzet waarbij een buitenlands concern alle aandelen verwerft in een Nederlandse BV door een - speciaal voor dat doel opgerichte - in Nederland gevestigde overnameholding. Die overnameholding financiert de koopsom van de aandelen in de Nederlandse BV met een geldlening; die lening wordt veelal opgenomen bij een concernvennootschap in een belastingparadijs. Vervolgens wordt er een fiscale eenheid gevormd tussen de overnameholding en de Nederlandse BV, en daardoor kan de holding de rente op de schuldig gebleven koopsom verrekenen met de winst van de overgenomen BV. Door die renteaftrek wordt de belastbare winst van die BV sterk verminderd, soms wel tot nihil, en dat kost onze schatkist veel belastinggeld. Tegenover de renteaftrek in Nederland staat de renteopbrengst bij de concernvennootschap die de lening heeft verstrekt ter financiering van de acquisitie.
Die vennootschap is over de rente veelal een laag belastingtarief verschuldigd, zeker als de vennootschap in een belastingparadijs is gevestigd.
Voorgesteld wordt dat een overnameholding dergelijke financieringsrente nog slechts in aftrek kan brengen indien en voor zover de overname holding ‘eigen' winst heeft. De rente kan niet meer verrekend worden met de winst die behaald wordt door de gekochte BV, maar uitsluitend met eigen winst. De aftrekbeperking geldt voor de rente, kosten en valutaresultaten op leningen die voor de financiering van de acquisitie zijn opgenomen bij een groepsmaatschappij én op leningen bij een derde, een bank.
De aftrekbeperking geldt uitsluitend als de financieringsrente (per jaar) meer bedraagt dan € 1 mln. Deze drempel is opgenomen om het MKB te ontzien.
De aftrekbeperking is niet van toepassing als de fiscale eenheid - na de overname - een ‘gezonde financieringsverhouding' heeft. Dat is het geval als de fiscale eenheid niet bovenmatig met vreemd vermogen gefinancierd is en de schulden niet meer bedragen dan twee keer het eigen vermogen. Deze uitzondering wordt aangeduid als de thincap-escape, met een debt-equity ratio van 2: 1. In het wetsvoorstel zijn specifieke regels opgenomen om het eigen en vreemd vermogen voor deze toetsing vast te stellen.
De financieringsrente die op grond van deze regeling in enig jaar niet aftrekbaar is, kan overgebracht worden naar het volgende jaar. De rente kan in dat volgende jaar uitsluitend verrekend worden met ‘eigen‘ winst van de overnameholding: de drempel van € 1.000.000 én de thincap-escape zijn niet van toepassing op de voorwaarts gewentelde rente.
Let op: De nieuwe renteaftrekbeperking gaat gelden voor boekjaren die beginnen op of na 1 januari 2012. De regeling blijft buiten toepassing als de overnameholding én de overgenomen vennootschap nog vóór 1 januari 2012 een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting vormen.
3.2. Objectvrijstelling vaste inrichting
In Nederland gevestigde internationaal opererende ondernemingen kunnen de verliezen van een buitenlandse vaste inrichting onder de huidige wetgeving verrekenen met hun Nederlandse winst in het jaar waarin dat verlies wordt geleden. Negatieve ontwikkelingen in het buitenland raken hierdoor direct de Nederlandse belastingopbrengst. Als de vaste inrichting in latere jaren winst behaalt, wordt deze verliesverrekening teruggenomen door toepassing van de zogenaamde inhaalregeling. Maar het terugnemen van die verliezen kan eenvoudig worden uitgesteld, voor onbepaalde tijd, en wel door de vaste inrichting om te zetten in een dochtervennootschap. Het Kabinet wil deze verliesimport beperken en stelt daarom voor om vaste inrichtingen fiscaal op dezelfde manier te gaan behandelen als buitenlandse deelnemingen. Resultaten van de vaste inrichting - winsten of verliezen - blijven buiten de Nederlandse winst, net als bij buitenlandse deelnemingen. Daarbij vervalt ook de zogenaamde onderworpenheidseis. Verliezen bij staking van een vaste inrichting blijven wel aftrekbaar in Nederland, bij het hoofdkantoor. Net als bij deelnemingen komt er een regeling om constructies via laagbelastende landen tegen te gaan. Voor passieve vaste inrichtingen gaat de objectvrijstelling niet gelden: bij winst uit zo'n vaste inrichting geeft Nederland een verrekening van de in het andere land betaalde belasting. Verliezen uit zo'n passieve vaste inrichting worden niet of in zeer beperkte mate in aanmerking genomen.
3.3. Dividendbelasting aangescherpt
Het Kabinet gaat niet in op het pleidooi vanuit het (internationaal opererende) bedrijfsleven om de dividendbelasting af te schaffen. Deze belasting brengt structureel € 2 miljard per jaar op, en dat kan de schatkist niet missen.
De dividendbelasting wordt per 1 januari 2012 aangescherpt: voortaan moeten coöperaties ook dividendbelasting gaan inhouden en afdragen op uitkeringen van winst aan hun leden, maar uitsluitend als de coöperatie de aandelen in een BV houdt om de Nederlandse dividendbelasting of een buitenlandse winstbelasting te ontgaan. Anders gezegd, de dividendbelasting is slechts verschuldigd als de coöperatie geen reële functie heeft, en alleen maar ‘tussengeschoven' is om belasting te ontgaan.
3.4. Buitenlandse aanmerkelijk belangregeling: beperkt tot misbruik
Een in het buitenland gevestigd lichaam dat een aanmerkelijk belang - een participatie van 5% of meer - heeft in een Nederlandse vennootschap, is in Nederland vennootschapsbelasting verschuldigd over de voordelen uit dat aanmerkelijk belang. Deze heffing is uitsluitend aan de orde als dat aanmerkelijk belang niet behoort tot het ondernemingsvermogen van het buitenlandse lichaam. De regeling heeft als doel het tegengaan van kunstmatige constructies om de heffing van inkomsten- of dividendbelasting te ontgaan. Deze doelstelling wordt duidelijker in de wet tot uitdrukking gebracht. Deze aanpassing is noodzakelijk om de regeling EU-proof te houden.
3.5. Research & development aftrek
Het Belastingplan 2012 introduceert een nieuwe aftrek - de RDA - voor research en development. Het gaat om een aftrek voor de directe kosten van R & D, voor de investeringen en kosten die innoverende bedrijven maken bij onderzoek en ontwikkeling voor nieuwe producten. De aftrek geldt niet voor loonkosten; voor R & D-loonkosten geldt een afdrachtvermindering in de loonheffing. Voor de aftrek is een budget beschikbaar van € 250 miljoen in 2012, en structureel € 500 miljoen vanaf 2014.
Naast de RDA is er vanaf 2013 ook geld beschikbaar gesteld voor aanvullend innovatiebeleid, de zogenaamde innovatie-envelop 2013. Met een structureel budget van € 100 miljoen wordt een extra aftrekpost toegekend aan privaat-publieke topinstituten (PTI's). Voorts wordt de mobiliteit van kenniswerkers tussen publieke en private instellingen gestimuleerd. De RDA moet nog nader worden uitgewerkt, en zal in een later stadium worden opgenomen in het wetsvoorstel Belastingplan 2012, de maatregelen uit de innovatie-envelop worden in het Belastingplan 2013 mee genomen.
3.6. Ruimere giftenaftrek in de BV
De giftenaftrek voor BV's wordt verruimd. Per 1 januari 2012 vervalt de aftrekdrempel van € 227, en het maximumbedrag aan aftrekbare giften gaat van 10% naar 50% van de winst. De aftrekbare giften kunnen in een jaar niet meer zijn dan € 100.000.
Voorgesteld wordt om een toeslag op de giftenaftrek in te voeren voor giften aan culturele instellingen. Hierdoor mogen giften aan een dergelijke algemeen nut beogende instelling (ANBI) met factor 1,5 worden vermenigvuldigd, tot een maximumbedrag
van € 5.000.
3.7. Doorschuiving TBS-regeling bij echtscheiding
De DGA die in gemeenschap van goederen is gehuwd en die een vermogensbestanddeel - een pand - aan zijn BV ter beschikking stelt, moet de inkomsten uit dat TBS-pand fiscaal 50-50 verdelen met zijn echtgenoot. In de wet inkomstenbelasting wordt vastgelegd dat dit vermogensbestanddeel bij echtscheiding voortaan fiscaal geruisloos kan worden doorgeschoven, als één van beide echtgenoten de TBS na echtscheiding voortzet.
De voortzettende ex-echtgenoot moet de fiscale boekwaarde van dat vermogensbestanddeel aanhouden, zoals die direct voorafgaande aan de verdeling van de huwelijksgemeenschap was. Fiscale reserves en voorzieningen ter zake van dat TBS-vermogensbestanddeel kunnen ook geruisloos worden doorgeschoven. Specifiek voor afgewaardeerde schuldvorderingen wordt bepaald dat de anti-misbruikbepalingen inzake het omzetten overdragen van dergelijke vorderingen overgaan op de voortzettende echtgenoot.
De doorschuifregeling is optioneel: de DGA en zijn echtgenoot kunnen er voor kiezen om bij echtscheiding fiscaal af te rekenen.
4. Maatregelen voor alle belastingplichtigen
4.1. Vitaliteitssparen
Het Kabinet stelt voor om per 1 januari 2013 een nieuwe spaarfaciliteit in te voeren: het vitaliteitssparen. Deze regeling kan worden benut door binnenlandse belastingplichtigen met inkomen uit tegenwoordige arbeid. Dat omvat werknemers, maar ook ondernemers, zzp-ers en resultaatgenieters.
Met de vitaliteitspaarregeling kan per jaar maximaal € 5.000 worden ingelegd op een spaarrekening, een spaarverzekering of een spaarrecht. Die inleg is aftrekbaar op het inkomen in box 1. De deelnemer kan uit dit tegoed opnemen, hoeveel en wanneer hij wil: de regeling is bestedingsvrij. Het opgenomen bedrag is in het jaar van opnemen belast in box 1. Met de vitaliteitspaarregeling kan een tegoed worden opgebouwd van maximaal € 20.000. Dat opgebouwde tegoed is vrijgesteld in box 3, de rente op het tegoed wordt niet getroffen door de vermogensrendementsheffing.
Voor deelnemers van 62 jaar en ouder geldt één beperking: het maximaal jaarlijks op te nemen bedrag is € 10.000. Met deze maatregel wordt deeltijd pensioen bevorderd en voltijdpensioen beperkt.
4.2. Vrijwillige voortzetting pensioenregeling uitgebreid
Voor (ex-)werknemers die na ontslag hun pensioenregeling vrijwillig voortzetten, geldt momenteel een fiscale regeling waardoor voor een periode van maximaal 3 jaar na ontslag ook voor deze vrijwillige opbouw van pensioen een faciliëring geldt. De maximale looptijd wordt verruimd van 3 naar 10 jaar na ontslag. Deze wijziging wordt in het eindejaarsbesluit van het ministerie van Financiën aangebracht. Ter dekking van de verlenging van de maximumtermijn van de fiscale faciliteit voor vrijwillige voortzetting wordt het maximum van de fiscale oudedagsreserve verlaagd met € 2.500 tot € 9.382.
4.3. Aanpassing partnerregeling bij samengestelde gezinnen
De nieuwe partnerregeling in de inkomstenbelasting, die op 1 januari 2011 is ingevoerd, wordt op één onderdeel aangepast. Ongehuwd samenwonenden worden ook als partners aangemerkt als zij samen met een minderjarig kind van een van hen, staan ingeschreven op hetzelfde adres in de gemeentelijke basisadministratie. Met deze aanpassing wordt voorkomen dat ongehuwd samenwonenden die kinderen in hun gezin hebben uit een andere relatie - de zogenoemde samengestelde gezinnen - een fiscaal voordeel genieten ten opzichte van andere gezinnen met kinderen. Er komt een tegenbewijsregeling voor gevallen waarin sprake is van (onder)huur.
4.4. Kindregelingen aangepast
Diverse fiscale regelingen voor kinderen worden aangepast om ‘een bijdrage te leveren aan het gezond maken van de overheidsfinanciën'.
Het gaat om de volgende aanpassingen:
•· De aftrek van levensonderhoud voor kinderen waarvoor geen recht bestaat op kinderbijslag of studiefinanciering wordt versoberd: de aftrek wordt beperkt tot kinderen van 21 jaar (in plaats van 30).
•· De alleenstaande-ouderkorting wordt versoepeld. Voor het inkomensafhankelijke deel van de korting blijft de leeftijdsgrens van het jongste kind gehandhaafd op jonger dan 16 jaar, voor het niet-inkomensafhankelijke deel van de korting wordt de leeftijdsgrens van het jongste kind verlaagd van 27 naar 18 jaar.
•· Vanaf 2014 wordt de uitbetaling van de algemene heffingskorting aan de minstverdienende partner - in de media wel aangeduid als de aanrechtkorting afgebouwd. Deze wettelijke regeling wordt versoepeld: de inkorting voor gezinnen met jonge kinderen (tot 6 jaar) en voor belastingplichtigen die vóór 1 januari 1972 zijn geboren, wordt niet ineens in 2012 afgeschaft, maar gefaseerd in 2012 tot en met 2014.
•· De kindertoeslag in box 3 wordt afgeschaft. Deze toeslag kan een belastingvoordeel opleveren van maximaal € 33 per jaar per kind, en is daarmee te weinig effectief.
•· De aftrek van weekenduitgaven voor gehandicapten wordt enigszins verruimd: de aftrek wordt van toepassing voor gehandicapten van 21 jaar en ouder (dat is nu nog 27 jaar en ouder).
4.5. Aftrek scholingsuitgaven: lagere drempel
Om scholing extra te stimuleren wordt de drempel voor de aftrek van scholingsuitgaven in box 1 gehalveerd van € 500 tot € 250.
4.6. Invoering negatieve giftenaftrek
Er komt een negatieve giftenaftrek. Onder de huidige wettelijke regeling kan een particulier een aftrekbare gift herroepelijk doen, die gift aftrekken, en vervolgens in een later jaar herroepen zonder dat de eerdere aftrek wordt gecorrigeerd. Dat verandert per 1 januari 2012: in het jaar waarin de gift wordt herroepen (of ontbonden) moet de belastingplichtige het eerder in aftrek gebrachte bedrag tot zijn inkomen in box 1 rekenen.
4.7. Toeslag op giftenaftrek
Voorgesteld wordt om een toeslag op de giftenaftrek in te voeren, zowel in de inkomsten- als in de vennootschapsbelasting, voor giften aan culturele instellingen. Hierdoor mogen giften aan een dergelijke algemeen nut beogende instelling (ANBI) in de inkomstenbelasting onbegrensd met factor 1,5 worden vermenigvuldigd. In de vennootschapsbelasting geldt een plafond van € 5.000 voor deze multiplier.
4.8. Aftrek uitgaven monumentenpanden
De aftrek voor uitgaven aan monumentenpanden wordt op onderdelen aangepast:
•· de drempel voor de aftrek vervalt.
•· De aftrek van onderhoudskosten wordt beperkt tot 80% van de kosten. Onderhoudskosten waarvoor een subsidie wordt verstrekt, kunnen niet in aftrek worden gebracht. De beperking van de aftrek van onderhoudskosten geldt zowel voor monumenten die als eigen woning kwalificeren als voor monumenten in box 3. Voor 2012 en 2013 geldt een overgangsregeling: onderhoudskosten waar al vóór 1 januari 2012 onherroepelijke verplichtingen voor zijn aangegaan en waarvan de betaling plaatsvindt in 2012 of 2013, blijven volledig aftrekbaar.
•· De aftrek van eigenaarslasten en afschrijvingen van monumentenpanden vervalt.
4.9. Heffings- en invorderingsrente: een nieuwe regeling
Het kabinet wil de wettelijk regeling voor heffings- en invorderingsrente ingrijpend aanpassen. De voorgestelde regeling is gebaseerd op het uitgangspunt dat de belastingplichtige rente verschuldigd is als hij niet op tijd aan zijn betalingsverplichting jegens de overheid voldoet, en de Belastingdienst rente moet vergoeden als hij de werkzaamheden niet binnen een redelijke termijn verricht. Heffingsrente wordt voortaan belastingrente genoemd. Deze rente ziet op de periode tot aan de vaststelling van de betalingsverplichting of het recht op teruggaaf bij een belastingaanslag. De invorderingscomponent heeft betrekking op het te laat betalen aan de Belastingdienst van een belastingaanslag en de uitbetaling door de Belastingdienst van een belastingteruggaaf. De nieuwe regeling luidt als volgt:
•· Door de inspecteur in rekening te brengen belastingrente.
De belastingrente gaat voor belastingaanslagen in de inkomsten- en vennootschapsbelasting pas lopen vanaf 1 juli ná het belastingjaar. Heeft de ondernemer een gebroken boekjaar, dan loopt de rente pas vanaf de eerste dag van de zevende maand na afloop van het boekjaar. Door deze aanpassing zal een groot aantal belastingplichtigen in de inkomstenbelasting niet meer geconfronteerd worden met belastingrente: als zij de aangifte tijdig, voor 1 april indien, is de (voorlopige) aanslagregeling voor 1 juli afgerond.
•· Door de inspecteur te vergoeden belastingrente.
Een vergoeding van belastingrente is slechts aan de orde (voor aanslagen in de inkomsten- en vennootschapsbelasting) als de Belastingdienst na de indiening van de aangifte of een verzoek, te lang doet over het opleggen van een de aanslag waarbij een bedrag wordt terugbetaald. Hier gaat een afdoeningstermijn van 13 weken gelden voor aanslagen in de inkomsten- en vennootschapsbelasting (met een uit te betalen bedrag) die direct voortvloeien uit de ingediende aangifte. Rente wordt pas vergoed als de inspecteur die termijn overschrijdt: de rentevergoeding wordt dan berekend vanaf het tijdstip dat de belastingaanslag opgelegd had moeten zijn, tot zes weken na de dagtekening van de aanslag. Voor verzoeken tot terugbetaling (anders dan een aangifte) geldt een afdoeningstermijn van 8 weken.
In alle gevallen geldt dat de periode waarover de rente wordt berekend niet eerder begint dan zes maanden na afloop van het belastingjaar. Er wordt geen rente vergoed als de belastingaanslag na bezwaar of een gerechtelijke procedure wordt verminderd of vernietigd.
•· Door de ontvanger in rekening te brengen invorderingsrente.
De renteregeling blijft in deze situatie ongewijzigd.
•· Door de ontvanger te vergoeden invorderingsrente.
De ontvanger vergoedt geen rente (meer) over een terugbetaling die het gevolg is van een herziening of vermindering van een betaalde belastingaanslag. Als de belastingplichtige bezwaar maakt tegen een hem opgelegde aanslag, en hij heeft die aanslag - ondanks zijn bezwaar daartegen - al betaald, dan krijgt hij géén rente vergoed als hij later, bij de uitspraak op het bezwaarschrift, in het gelijk wordt gesteld. De belastingplichtige moet in deze situatie maar om uitstel van betaling vragen. Als dat verzoek om uitstel van betaling niet wordt toegewezen, en de belastingplichtige wordt in het gelijk gesteld, dan zal er wel rente worden vergoed. Nieuw is ook dat de ontvanger rente zal vergoeden als hij er te lang over doet om een belastingteruggaaf uit te betalen.
4.10. Vergrijpboete na verzuimboete bij nieuwe bezwaren
Vanaf 1 januari 2012 kan de Belastingdienst een vergrijpboete opleggen ook als eerder een verzuimboete is opgelegd, als er later feiten en omstandigheden bekend zijn geworden - nieuwe bezwaren - die zo'n boete rechtvaardigen. De regeling gaat alleen gelden voor achteraf gebleken ontoereikende verzuimboeten. Als nieuwe bezwaren kunnen worden aangemerkt verklaringen van de belastingplichtige, van de werkgever of van derden en boeken, bescheiden en andere gegevensdragers of de inhoud daarvan. Deze bezwaren zijn nieuw indien zij bekend worden na het opleggen van de verzuimboete of ten tijde van het opleggen van de verzuimboete niet zijn onderzocht. In totaal wordt geen hogere boete opgelegd dan zou zijn opgelegd als alle relevante feiten op een eerder moment bekend waren geweest en op dat moment al een vergrijpboete was opgelegd. De eerder opgelegde verzuimboete wordt verrekend met de later alsnog opgelegde vergrijpboete.
4.11. Actieve informatieverplichting
De belastingplichtige wordt verplicht uit eigen beweging onjuistheden of onvolledigheden aan de inspecteur te melden zodra dat hem bekend is of wordt. Daarbij wordt met name gedacht aan de volgende vier situaties:
•· de verklaring uitsluitend zakelijk gebruik bestelauto,
•· de verklaring geen privégebruik auto,
•· de zogenoemde Edelweisroute, en
•· suppletie van BTW.
In de wet wordt een generieke regeling opgenomen op grond waarvan de belastingplichtige of de werkgever in bepaalde gevallen kan worden verplicht om uit eigen beweging de inspecteur te informeren over onjuistheden of onvolledigheden, zodra hij daarmee bekend wordt. Het niet-nakomen van de actieve informatieverplichting kan worden beboet met een vergrijpboete van maximaal 100% van het bedrag aan belasting dat als gevolg van het niet-nakomen van de informatieverplichting niet is of niet zou zijn geheven.